Amsterdam, 17 november 2008
Willem van de Put
Zon 70.000 NATO and Coalitie troepen bevechten in Afghanistan een leger van insurgents, waarvan we aantal en samenstelling niet goed kennen. Daarbij zijn in 2008 tot nu toe zon 4000 doden gevallen, waarvan ongeveer 1500 burgers die met die strijd niets te maken hadden. Los daarvan sterven elke dag meer dan 1000 kinderen aan eenvoudig te voorkomen ziektes, overleven 6,5% van de moeders in afgelegen provincies de bevalling van hun kind niet, en zijn er dit jaar meer dan 35 hulpverleners vermoord en zon honderd ontvoerd.
Is dat goed nieuws? Nee.
De Afghanen, moe van voortdurend geweld en onzekerheid, zijn teleurgesteld in het tempo van wederopbouw en boos over de steeds verslechterende veiligheid. Vooral in de oostelijke en zuidelijke provincies voedt de nu zeven jaar durende neerwaartse spiraal van onveiligheid en armoede het heimwee bij de bevolking naar de periode dat de Talibaan voor een minimum aan rust zorgde. Ook dat is geen goed nieuws. Erger nog, dat is ongewenst nieuw, want het strookt niet met het beeld dat we in Nederland koesteren van een nobele missie.
En toch is er werkelijk goed nieuws misschien wel het beste nieuws dat sinds 2001 uit Afghanistan gekomen is. Het goede nieuws is dat ons vijandbeeld aan het wankelen wordt gebracht. Dat vijandbeeld is onze eigen, westerse creatie, en onder aanvoering van onze eigen militaire leiders zijn we het nu aan het deconstrueren.
We denken in Nederland graag aan de militaire missie in Afghanistan als een nobele bijdrage aan het keren van een absoluut kwaad. Het gaat niet alleen de strijd tegen terreur en de zorg voor de Afghanen, het is een bijdrage aan de strijd voor de beschaving zelf, tegen de barbarij. De vijand is de verpersoonlijking van het kwaad, en dat maakt onze inspanning nobel. Dat vijandbeeld is goeddeels gebaseerd op hardnekkige versimpelingen en verwarringen over de identiteit van dit absolute kwaad, de zogenaamde Talibaan.
Het beeld van de Talibaan is opgebouwd uit een mozaïek van het ruige Afghaanse landschap, exotische tradities van wilde ruiters die een dood dier in het stof aan stukken scheuren, naast de geheimzinnige blauwe betovering van in Burkas gehulde vrouwen bij de prachtige moskee van Mazar-i-sharif. Dat is vermengd met bloedwraak, purdah, eer, sharia, en wreed geweld. Dat maakt de Talibaan soms tot middeleeuwse barbaren die vrouwen haten, soms tot monomane fundamentalisten die in Bijbelse tijden leven, of tot kwaadaardige fanaten die denken in lijfstraffen en alles wat ons aan vrijheid doet denken genadeloos afstraffen. Het zijn mensen die een taal spreken waarin het woord compromis niet bestaat, mensen die zijn opgegroeid in een wereld waar alleen antwoorden mogen bestaan, en geen vragen.
Dat beeld wordt nu opengebroken. Want het doorbreken van het taboe op onderhandelen met de Talibaan is zonder meer de belangrijkste doorbraak sinds het begin van de strijd in 2001.
Het is interessant, ook voor de Nederlandse pogingen om wederopbouw te bewerkstelligen, om te zien langs welke ingewikkelde weg de coalitie tot de conclusie aan het komen is dat onderhandelingen onvermijdelijk zijn. Voor de Afghanen is er geen echt probleem. President Karzai vroeg al op 30 september steun aan de Saudi Arabische regering om het gesprek te openen met de Talibaan leider Mullah Omar. Vorige week nam het Pakistaanse parlement een motie aan waarin vredesbesprekingen tot prioriteit werden verklaard, en deze week begon in Islamabad een beraad (jirga) tussen Afghaanse tribale leiders, geestelijken en overheidsvertegenwoordigers.
Doel is een strategie te ontwerpen voor vredesbesprekingen met de Talibaan. Voor de Afghanen en Pakistanen zijn de Talibaan dan ook geen demonen, maar oude bekenden uit een traditionele cultuur. De echte Talibaan, dat zijn de gelovigen, de koranstudenten, die zich verzet hebben tegen het nietsontziende cynisme en geweld van de warlords in Afghanistan. De kern van deze Talibaan heeft de perverse decadentie van de warlords durven aanpakken, en rust gebracht na een periode van chaos en geweld. Die kern heeft weinig op met westerse waarden, en bestaat uit mannen die midden in de eeuwenoude traditie van de Pashtun staan. Ze zijn een onlosmakelijk deel van de gemeenschap, en zonder hen zul je geen vrede kunnen bereiken. Samen met die kern willen we nu de schil van ellendelingen eromheen, de terroristen en misdadigers, aanpakken.
De militairen en diplomaten van de coalitie hebben echter een andere benadering nodig om zonder gezichtsverlies te kunnen accepteren dat er onderhandeld moet worden. Zij moeten het zelfgeschapen demonische beeld van de Talibaan als eerst deconstrueren. We weten eigenlijk allemaal best dat de insurgents een complexe mengeling zijn van oorlogshandelaren, heroïne producenten, armoedzaaiers, Al Qaida troepen, islamisten uit het westen en avonturiers uit de hele wereld. Om steun voor deze oorlog te vinden is echter een retoriek gebruikt die de verzamelnaam Talibaan aanduidde als synoniem voor het absolute kwaad. Daar onderhandel je niet mee.
Daarom is de vondst van generaal David Petraeus zoo briljant: om het onderscheid tussen de lokale, traditionele Pashtun en de rest van de insurgents te kunnen maken, moeten we ons beeld van die gruwelijke vijand nu voorzichtig afpellen. Nadat belangrijke namen (de Britse ambassadeur Cowper-Coles, de senior British commander Mark Carleton-Smith, de Britse held van Bosnië General Michael Rose) in stelling zijn gebracht om ons te laten wennen aan het idee dat de oorlog niet gewonnen kan worden, gaan we de vijand nu in afzonderlijke delen opsplitsen. Zoals bij het pellen van een ui zal ook hier misschien door de een of de ander een traan weggepinkt moeten worden. Maar de opening lijkt gemaakt.
Er kan zo eindelijk een begin gemaakt worden met de uitvoering van de adviezen van internationale denktanks. Maak een onderscheid tussen de bevolking van Afghanistan en de internationale coalitie van het kwaad. Maak ernst met lokaal zichtbare wederopbouw, en breng de angstaanjagende aanwezigheid van internationale militairen terug. Ga de oorlog met de internationale elementen aan op de manier waarop ook de Filippijnen en Indonesië succesvol zijn in hun aanpak van terreur en stop met de big-army aanpak die werkt als een rode lap op een stier. De jirga die nu plaatsvindt tussen Afghaanse en Pakistaanse leiders kan een begin zijn van een aanpak van het grensprobleem.
Een slimmere inzet van militaire middelen tegen een correct gedefinieerde vijand spaart de levens van burgers. In een rustiger Afghanistan kan dan echt gewerkt worden aan wederopbouw waar de bevolking zo hard aan toe is. En dat gaat dan resultaten opleveren in termen van wederzijds begrip de zo begeerde hearts and minds.
Willem van de Put is directeur van HealthNet TPO, een Nederlandse hulporganisatie die samen met de lokale bevolking werkt aan de wederopbouw van gezondheidszorg in post-conflictgebieden. Een verkorte versie van het artikel is gepubliceerd in NRC Next.